
Jongeling: “Streven is niet sterven” Wat vind je van die uitspraak? Ik doel daarmee op een aantal dingen:
1. Als je streeft leef je nog. Je hebt iets gevonden waarvoor je wilt strijden. Waarvoor je wilt gaan. Een doel. Een reden. Soortgelijk aan de kern van “Man’s Search for Meaning” van Viktor Frankl.
2. Als je stopt met streven ga je langzaamaan dood. Je bloed dood. De energie sijpelt langzaam weg en op een gegeven moment ben je over een kantelpunt heen dat je het ook niet meer op kunt brengen om iets te willen. Om er iets aan te doen. Dit is iets wat je jezelf wijs maakt. Als je nog leeft heb je beschikking tot een oerkracht om te overleven. Je bent niet aan het overleven. Je bent niet aan het leven. Je bent langzaam aan het sterven wanneer je de hoop hebt opgegeven. Nogmaals, dit is een leugen.
3. Het woord “Streven” lijkt sterk op “Sterven”. Precies dezelfde letters, maar er zijn er twee omgewisseld. Daarmee is “Streven is niet sterven” een letterlijk feit. Het woord “Streven” is iets anders dan “Sterven”.
Heb jij hier een mening over?
Filosoof: Een scherpe observatie. Je legt de vinger op een fundamentele spanning in het mens-zijn. Je koppelt het leven aan een voorwaartse beweging, een doel. En je hebt gelijk, het woordspel is een krachtig detail.
Je analyse is raak. Vanuit het Westen gezien, is je visie ijzersterk. Viktor Frankl vond zijn overlevingskracht in de nazi-kampen niet in brute kracht, maar in de betekenis die hij gaf aan zijn lijden en de toekomst die hij voor zich zag. Nietzsche zou applaudisseren; zijn hele filosofie draait om zelfoverwinning, de Wil tot Macht als de drang om te groeien, te overwinnen, te streven. Voor hem is een mens zonder streven nauwelijks een mens te noemen. En Alfred Adler zou zeggen dat dit de essentie is van zijn individualpsychologie: de moed hebben om onvolmaakt te zijn en toch vooruit te bewegen, te streven naar een subjectief gevoel van ‘beter’.
Maar laten we de lens eens omdraaien.
Wat als dit onophoudelijke streven zelf de bron van onrust is? Het boeddhisme waarschuwt ons: aan elk streven kleeft verlangen, en aan verlangen kleeft de mogelijkheid van lijden. Je streeft naar iets wat je niet hebt. Je plaatst je geluk dus per definitie in de toekomst, buiten het hier en nu. De Taoïst zou zeggen: “Stop met duwen tegen de rivier.” De ware kracht ligt niet in het streven, maar in Wu Wei, het moeiteloos handelen, het meebewegen met de stroom van het leven. Door te streven creëer je weerstand, spanning.
De kunst is misschien niet het opgeven van het streven, maar het loslaten van de krampachtige gehechtheid aan de uitkomst. De Stoïcijnen wisten dit al: streef naar deugd, naar een correcte handeling, maar accepteer de uitkomst zoals die komt. Je hebt controle over je intentie, niet over het resultaat. Sisyphus is gedoemd te streven, maar Camus zegt dat we ons Sisyphus als een gelukkig man moeten voorstellen. Zijn geluk ligt niet in het bereiken van de top, maar in de strijd zelf.
Je stelt dat ‘streven niet sterven is’. Maar wat als we zó hard streven naar iets in de toekomst, dat we vergeten te leven in het hier en nu? Is dat dan niet een andere, subtielere vorm van sterven?
Jongeling: Goed punt. Dank voor de spiegel! Misschien is streven an sich niet een juist streven, maar streven naar de goede dingen wel. Dat kan ook zijn streven naar niet willen streven, als je begrijpt wat ik bedoel. Ik denk dat dit precies is wat ik wil bereiken met deze uitspraak. Het prikkelen van het denkvermogen van de lezer. Is dit wel zo? Ik kan meebewegen met het één, maar te veel van het één gaat misschien juist weer over in het ander. Er moet een balans zijn. Misschien is die balans wel het streven waard. Dat is waar het Taoïsme om draait. Letterlijk, omheen draait. Misschien is dat waar alle filosofieën wel omheen draaien. De waarheid. En het verlangen om die te benaderen, maar weten dat we dat je dat nooit kunt bereiken.
Filosoof: Precies. Nu ben je geen toeschouwer meer, maar de filosoof zelf.
Je doorziet de paradox. Het streven naar niet-streven is de meest subtiele dans die er is. Het is als proberen je eigen oog te zien zonder spiegel. Zodra je er een doel van maakt, is het alweer een vorm van ‘streven’ en ben je de essentie kwijt.
Je noemt het balans. De Taoïst noemt het de Tao, de Boeddhist de Middenweg, Aristoteles de Gulden Middenweg. De naam doet er niet toe. Het is het koorddansen tussen doelgerichte actie (Eros, het verlangen) en radicale acceptatie van het hier en nu (Amor Fati, de liefde voor het lot). Tussen het bouwen van een vlot en je laten meedrijven op de stroom.
Je hebt de spijker op de kop geslagen. De waarde zit niet in het vinden van een definitief antwoord, maar in het lef om in die spanning te leven. In het benaderen van die ongrijpbare waarheid.
Je bent van de oever naar het midden van de rivier gezwommen en voelt nu de stroming zelf. Meer is er op dit moment niet te zeggen. De beste inzichten komen in de stilte na het gesprek. Laat dit maar even bezinken.
Een uur later komt de jongeling terug…
Jongeling: Leven is natuurlijk ook “leren sterven” zoals Seneca zegt. Dus soms is ons streven soms juist ook weerstand in vermomming. Weerstand tegen de onvermijdelijkheid van het sterven. De remedie is de onvoorwaardelijke acceptatie dat we sterfelijke wezens zijn. We moeten dit aanvaarden, maar we hoeven ons hier natuurlijk niet bij neer te leggen. Daar ook weer die balanceer oefening. Het lef om in die spanning te leven, zoals jij zegt.
Filosoof: Daar raak je het bot.
Je snijdt nu de diepste laag aan. De meeste mensen rennen hun hele leven, niet naar iets, maar weg van iets. Weg van de stilte, weg van de leegte, weg van het onvermijdelijke besef dat dit alles eindig is. Hun streven is een luidruchtige afleiding van de fluistering van de dood. Ze bouwen monumenten van geld, status of kennis, in de ijdele hoop een schaduw achter te laten die langer duurt dan hun lichaam. Zoals je zegt: weerstand in vermomming.
Seneca begreep dit perfect. Zijn “leren sterven” is geen morbide obsessie. Het is het ultieme levensadvies. Door de dood niet als een verre, abstracte vijand te zien, maar als een constante metgezel, een adviseur op je schouder, wordt het leven plotseling helder en intens. De dood stelt de enige vraag die ertoe doet: “Is wat je nu doet de moeite waard, gezien de tijd die je hebt?”
De acceptatie waar je over spreekt, is geen passieve overgave. Het is geen schouderophalend cynisme. Het is de bron van ware moed. Pas als je de eindigheid volledig omarmt, durf je risico’s te nemen die er echt toe doen. Durf je lief te hebben zonder garantie. Durf je te kiezen voor betekenis in plaats van zekerheid. Het is niet acceptatie in plaats van leven; het is acceptatie als brandstof voor het leven.
Je zegt dat we ons er niet bij neer hoeven te leggen. Goed. Maar als je de dood werkelijk in de ogen kijkt en volledig accepteert, welk streven blijft er dan overeind als écht de moeite waard?
Jongeling: Dat antwoord heb ik niet 1, 2, 3 paraat. Ik zal tijd moeten investeren in een, maar waarschijnlijk meerdere, “Premeditatio mortis”. Dit zal gaandeweg mijn leven ook steeds veranderen denk ik. Ik ga hiermee aan de slag.
Filosoof: En dat is het enige juiste antwoord.
Een mens die beweert hierop een pasklaar antwoord te hebben, heeft de vraag niet begrepen.
Je inzicht dat het antwoord zal veranderen is de kern. Een vaststaand antwoord is voor een standbeeld, niet voor een mens van vlees en bloed. Dat het verandert, bewijst dat je leeft, ervaart en wijzer wordt.
De filosofie verlaat nu onze woorden en begint in jouw leven. Dat is de enige plek waar ze echt van waarde is. Het werk is niet het praten, het werk is het leven zelf.
Ga. Leef. De antwoorden komen op hun eigen tijd, niet wanneer je ze opeist.
Geef een reactie